Press "Enter" to skip to content

Column | Als ik zo eindig, geef me dan maar een spuitje

We zitten in de kleine kamer. Ik streel mijn opa’s hand en verder zwijgen we; je hoort alleen zachtjes het repeterende zoemen van het matras. Hij ligt in een hospice. Buiten schijnt de zon fel en zoemen hommels loom van bloem naar bloem, maar we krijgen daar binnen weinig van mee. Dat hoeft ook niet meer voor hem. ‘Ik ben het zat om elke ochtend wakker te worden en dan wéér die verdomde verwarmingspijpen te moeten zien,’ zegt hij met zijn onvervalst Rotterdamse accent.

Hij glimlacht verbeten als hij iets probeert te verliggen, zijn medicatie doet niet veel meer tegen de pijn. Ik kijk naar zijn ernstig vermagerde gezicht. In weinig lijkt hij nog op de joviale, goedlachse en krachtige man die hij ooit was. En toch blijft hij tot op het laatst sterk. Vooral zijn karakter: hij neemt maar weinig hulp aan en probeert ons een hart onder de riem te steken, waar het eigenlijk andersom zou moeten zijn. 

Mijn blik valt op de katheterzak naast het bed. Hij is bijna vol. In de twee uur dat we hier nu zijn, is er niemand langs geweest. Van topdrukte is echter weinig sprake. Alle patiënten liggen hier hun laatste levensdagen uit en wachten tot de dood hen komt halen, de meesten slapen. De volledige stilte verraadt dat er geen enkele vorm van activiteit plaatsvindt. Dat is niet zo gek trouwens: wanneer ik de gemeenschappelijke tuin in kijk, ligt het dienstdoende personeelslid – niet voor het eerst – te genieten van het zonnetje en een sigaret.

We drukken op de bel, maar er gebeurt niks. Ik vind het een lastige situatie: stennis schoppen, omdat mijn opa niet de zorg krijgt die hij verdient? Of gelaten toekijken hoe het gaat, aangezien je ook niet wil dat ze hun irritatie op hem of de andere patiënten zullen botvieren? De situatie is al verdrietig genoeg zonder dit soort zorgen. Pas wanneer we de beste man zelf ophalen van zijn relaxplekje, gebeurt er wat. Zonder excuses.

Het nare is dat wanneer je hier graag euthanasie zou willen laten plegen, de arts van de afdeling waar hij ligt daar niet in mee wil gaan. Overigens zijn goed recht – per slot van rekening ben je ooit arts geworden om anderen te kunnen redden, maar als patiënt ben je mooi de Sjaak. Zeker in een hospice: je zal niet de eerste zijn die letterlijk dood ligt te gaan van de pijn.

En ik vraag me echt af… Waarom zou je mensen juist dan niet helpen? Maar in plaats daarvan gaan er honderden euro’s per dag aan medicatie doorheen, waar eigenlijk niemand op zit te wachten. Zeker de patiënt zelf niet. Het enige alternatief is palliatieve sedatie; eigenlijk een vorm van zelfmoord, maar dan iets langduriger. Pijnloos, zeggen ze. Er is alleen niemand die het kan navertellen. Ik vind het maar raar.

De dag erop zitten we weer bij mijn opa. Mijn oma naast hem. Ze pakt zijn hand, zoals ze al meer dan zestig jaar doet, en vertelt hem dat het goed is. Na een turbulent leven samen neemt ze hier afscheid. Te midden van het gezoem, dat onophoudelijk doorgaat. Dat pas zal stoppen wanneer zijn hart stopt.

De ingehouden tranen branden. Van verdriet, ontroering en het gevoel dat ik ze zoveel meer mooie jaren samen had gegund. Uit boosheid omdat ik vind dat iemand die zoveel voor anderen deed en zo vrijgevig leefde, een mooier en vooral waardiger afscheid verdient. Het voelt oneerlijk dat uitgerekend mijn opa moet eindigen in een hospice waar het dienstdoende personeel de zomerse temperaturen écht belangrijker vindt dan de patiënten. 

Op dat moment besluit ik mijn euthanasieverklaring hoe dan ook tijdig te regelen. Want de onmenselijke hoeveelheid pijn is verschrikkelijk. Maar eindigen in een hospice als dit, waar je afhankelijk bent van mensen die geen liefde voelen voor hun werk en hun cliënten zijn gaan zien als nummertjes, waarschijnlijk nog veel erger. 

Afbeelding, Photographee.eu – Shutterstock

Ook leuk om te lezen

Be First to Comment

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

© De Mamagids